Uitspraak
17.4140 ZW
a.M.p.m. adank, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.
Centrale Raad van Beroep
Appellant maakte bezwaar tegen besluiten van het UWV waarin het ontvangen ziekengeld en toeslag over de periode 1 juni tot en met 20 oktober 2015 werden herzien en teruggevorderd. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken, omdat appellant zijn post niet tijdig ontving.
Appellant voerde aan dat hij geen eigen postadres heeft en zijn post op het adres van zijn zus binnenkomt, die vanwege psychische problemen en een ruzie met appellant zijn post mogelijk heeft weggegooid. De rechtbank oordeelde dat dit geen verschoonbare reden is en dat appellant maatregelen had moeten treffen om post te ontvangen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en stelde dat appellant niet had aangetoond dat hij niet in verzuim was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.