Uitspraak
18.3559 AW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.024,-;
- bepaalt dat van de minister een griffierecht van € 508,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, werkzaam bij het ministerie van Justitie en Veiligheid, maakte bezwaar tegen zijn inroostering voor reservediensten in februari 2017, omdat deze diensten niet in de rechtspositieregelingen voorkomen en de mededelingstermijn van vier dagen niet werd nageleefd.
De minister verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat de mededelingstermijn niet van toepassing zou zijn op reservediensten. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de inroostering onrechtmatig was omdat de mededelingstermijn niet werd gerespecteerd en betrokkene procesbelang had.
De minister ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de collectieve regeling (CWTR) geen rechtsgeldige afwijking van de mededelingstermijn voor reservediensten bevatte, omdat de begrippenlijst waarin dit werd genoemd geen deel uitmaakt van de collectieve regeling voor zover het reservediensten betreft.
De minister werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en het griffierecht werd opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van naleving van mededelingstermijnen bij roostering en de beperkte beleidsvrijheid van de werkgever bij afwijking daarvan zonder geldige collectieve regeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de inroostering van reservediensten zonder naleving van de vierdaagse mededelingstermijn onrechtmatig is en veroordeelt de minister in de proceskosten.