ECLI:NL:CRVB:2019:1691

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 mei 2019
Publicatiedatum
22 mei 2019
Zaaknummer
18/3668 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag opklapbare douchestoel en verwijdering douchedrempel

Appellante, bekend met fibromyalgie en diverse lichamelijke en psychische klachten, verhuisde in 2007 naar een woning met een trap. In 2016 vroeg zij op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) om woningaanpassingen: een opklapbare douchestoel en het verwijderen van een douchedrempel. Het college wees deze aanvraag af omdat appellante verhuisde naar een woning die voor haar ongeschikt is, terwijl zij haar hulpvragen redelijkerwijs had kunnen voorzien.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat alleen een losse douchestoel adequaat en algemeen gebruikelijk is. Ook vond de rechtbank dat het verwijderen van de douchedrempel terecht werd geweigerd omdat de noodzaak daarvan het gevolg is van de verhuizing naar een ongeschikte woning.

In hoger beroep stelde appellante dat de opklapbare douchestoel speciaal voor haar was gemaakt en niet als algemeen gebruikelijk kon worden aangemerkt. Ook stelde zij dat de behoefte aan het verwijderen van de douchedrempel ook bij een verhuizing naar een gelijkvloerse woning zou bestaan.

De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het college terecht heeft geoordeeld dat een losse douchestoel adequaat is en dat de afwijzing van het verwijderen van de douchedrempel op goede gronden berust. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een opklapbare douchestoel en het verwijderen van de douchedrempel.

Uitspraak

18.3668 WMO15

Datum uitspraak: 22 mei 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
25 mei 2018, 16/7960 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.Y. van Oel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2019. Appellante is vertegenwoordigd door mr. Van Oel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Wintjes.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante is bekend met onder meer fibromyalgie en verschillende lichamelijke en psychische klachten. In 2007 is appellante samen met haar dochters verhuisd van een gelijkvloerse flatwoning naar een eengezinswoning met trap. Appellante heeft op 4 juli 2016 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 bij het college een aanvraag gedaan om woningaanpassingen, namelijk een opklapbare douchestoel en het verwijderen van een douchedrempel.
1.2.
Bij besluit van 7 juli 2016, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 27 oktober 2016 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Volgens het college is appellante van een geschikte woning naar een ongeschikte woning verhuisd, terwijl zij reeds ten tijde van die verhuizing bekend was met haar lichamelijke beperkingen. Appellante heeft haar hulpvragen dan ook redelijkerwijs van tevoren kunnen voorzien, in de zin van artikel 10, tweede lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015 (Verordening). Aan de afwijzing van de opklapbare douchestoel heeft het college onder meer ten grondslag gelegd dat de door appellante gewenste opklapbare douchestoel in haar situatie niet adequaat is en een wel adequate losse douchestoel een algemeen gebruikelijke voorziening is, zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank biedt hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het college dat alleen een losse douchestoel een adequate voorziening zou zijn en dat zo’n douchestoel als algemeen gebruikelijke voorziening moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het college op goede gronden heeft geweigerd om de douchedrempel te verwijderen, nu de noodzaak hiervan een gevolg is van de verhuizing naar een niet geschikte woning. Reeds in 2001 is door een reumatoloog vastgesteld dat appellante lijdt aan fibromyalgie, waardoor zij voet- en knieklachten heeft. Niet aannemelijk is dat appellante bij haar verhuizing niet heeft kunnen voorzien dat zij als gevolg hiervan problemen in de nieuwe woning zou ervaren.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij een speciaal voor haar gemaakte opklapbare douchestoel heeft aangevraagd en dat deze niet kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening. Volgens appellante zou ook ingeval van een verhuizing naar een gelijkvloerse woning de behoefte aan verwijdering van de douchedrempel zijn ontstaan.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De beroepsgronden van appellante kunnen niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Wat appellante naar voren heeft gebracht over een opklapbare douchestoel raakt niet het oordeel van de rechtbank dat het college kan worden gevolgd in het standpunt dat alleen een losse douchestoel adequaat is en een dergelijke voorziening algemeen gebruikelijk is. Verder wordt met de beroepsgrond dat de behoefte aan verwijdering van de douchedrempel ook zou bestaan indien zij naar een gelijkvloerse woning was verhuisd geen afbreuk gedaan aan het oordeel van de rechtbank dat deze voorziening op goede gronden is afgewezen omdat appellante is verhuisd naar een voor haar ongeschikte woning.
4.2.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2019.
(getekend) J. Brand
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
lh