ECLI:NL:CRVB:2019:172
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende beperking handfunctie
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen vanwege onvoldoende beperkingen in de handfunctie op de datum in geding, 18 november 2014.
De Raad heeft aanvullend medisch bewijs opgevraagd, waaronder huisartsgegevens, laboratoriumuitslagen en röntgenfoto's. Uit deze gegevens bleek geen aanwijzing voor een beperkte handfunctie op de datum in kwestie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat er geen reden was om de belastbaarheid van appellant te onderschatten.
Appellant heeft geen zienswijze ingediend op het nadere standpunt van het UWV. De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering. De eerdere procedurele tekortkoming in de motivering is hersteld en leidt niet tot vernietiging van het besluit.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.