ECLI:NL:CRVB:2019:1738
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens niet-duurzame arbeidsongeschiktheid
Appellante, geboren in 1997, heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering vanwege een verstandelijke beperking en angststoornissen. Het UWV heeft de uitkering geweigerd omdat zij weliswaar geen arbeidsvermogen heeft, maar deze situatie niet duurzaam is. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd.
In hoger beroep voert appellante aan dat haar situatie duurzaam is, onderbouwd met een indicatiebesluit van het CIZ voor 24-uurszorg en een brief van haar huisarts. Het UWV handhaaft het standpunt dat haar arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is, gesteund op een recent rapport van een verzekeringsarts.
De Raad stelt vast dat de verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante een lichte verstandelijke beperking en angststoornissen heeft, maar dat deze behandelbaar zijn en er mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zijn. De Raad acht de rapporten van het UWV voldoende onderbouwd en wijst de argumenten van appellante af omdat de aangeleverde medische stukken geen nieuwe inzichten bieden die het oordeel over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid wijzigen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.