ECLI:NL:CRVB:2019:175
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-verschoonbare overschrijding beroepstermijn door ernstig zieke gemachtigde
In deze zaak stond de vraag centraal of de overschrijding van de beroepstermijn door de gemachtigde van appellant, die ernstig ziek was en zware behandelingen onderging, verschoonbaar was. De gemachtigde stelde dat zijn ziekte en de bijbehorende behandelingen de reden waren voor het niet tijdig instellen van hoger beroep.
De Raad heeft uitgebreid onderzoek gedaan, waarbij ook aanvullende medische informatie en een geluidsopname van een gesprek met de behandelend specialist werden betrokken. Ondanks begrip voor de situatie van de gemachtigde, concludeerde de Raad dat onvoldoende bewijs was geleverd dat de gemachtigde binnen de beroepstermijn niet in staat was om adequaat te reageren.
De Raad wees erop dat de gemachtigde na terugkeer uit het buitenland geen directe overmatige hinder had en dat er binnen zijn kantoororganisatie maatregelen waren getroffen om de voortgang van werkzaamheden te waarborgen. Ook werd benadrukt dat een advocaat in dergelijke omstandigheden tijdig maatregelen moet nemen om de normale voortgang te garanderen.
Uiteindelijk oordeelde de Raad dat de overschrijding van de beroepstermijn niet verschoonbaar was en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn door de ernstig zieke gemachtigde.