ECLI:NL:CRVB:2019:1763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering WIA-uitkering vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Betrokkene, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, vroeg een WIA-uitkering aan wegens diverse medische klachten. Het UWV weigerde deze uitkering omdat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond vanwege onvoldoende onderzoek naar de klacht van regelmatig flauwvallen.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig is uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle relevante medische informatie ingewonnen en onderzocht, en de klacht over flauwvallen is onvoldoende onderbouwd met medische gegevens. Daarom is het oordeel van het UWV dat er geen verdere beperkingen zijn, juist.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene over de geschiktheid van bepaalde functies wordt eveneens verworpen, omdat betrokkene geen beperkingen heeft op het gebied van oog-handcoördinatie. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.