ECLI:NL:CRVB:2019:1773
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening studiefinanciering wegens woonsituatie
Betrokkene ontving studiefinanciering als uitwonende studente vanaf oktober 2016. De minister voerde een onderzoek uit naar haar woonsituatie en besloot de studiefinanciering te herzien, omdat betrokkene volgens het onderzoek als thuiswonende moest worden aangemerkt, met terugvordering van € 2.492,52.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard, omdat zij aannam dat betrokkene tot medio juni 2017 op het geregistreerde adres had gewoond en de herziening daarom beperkt moest worden. De minister stelde in hoger beroep dat de rechtbank een te lichte toetsingsmaatstaf hanteerde en dat betrokkene niet onomstotelijk had bewezen dat zij tot medio juni 2017 op het adres woonde.
De Raad oordeelt dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene niet aan de woonverplichting voldeed en dat betrokkene onvoldoende onomstotelijk bewijs heeft geleverd om het wettelijk vermoeden te weerleggen. De verklaringen van familie en buren zijn onvoldoende gedetailleerd en er ontbreekt ander objectief bewijs.
Daarom vernietigt de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de herziening van studiefinanciering blijft in stand.