Appellante, geboren in 1931, ondervindt beperkingen bij huishoudelijke taken en kreeg op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden toegekend van twee uur per week. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De rechtbank vond de indicatie voldoende concreet, maar stelde vast dat de motivering over het resultaat 'beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding' ontbrak.
In hoger beroep betoogde appellante dat het college ten onrechte alleen het te behalen resultaat had bepaald en de omvang van de ondersteuning aan de zorgaanbieder had overgelaten, wat onvoldoende rechtszekerheid biedt. Het college verdedigde de werkwijze met controlemaatregelen achteraf.
De Raad oordeelde dat het ontbreken van een concrete urenindicatie vooraf in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, ondanks de controles achteraf. De aanspraken waren onvoldoende geconcretiseerd. Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, herroept het eerdere besluit en bepaalt dat appellante recht heeft op drie uur huishoudelijke ondersteuning per week over de periode 1 november 2016 tot en met 20 mei 2019.
De Raad veroordeelde het college in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Vanwege het tijdsverloop heeft de uitspraak geen terugwerkende gevolgen voor de feitelijke ondersteuning.