ECLI:NL:CRVB:2019:1808
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet-gemelde kasstortingen en bijschrijvingen
Appellant ontvangt sinds 2014 bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een melding startte de gemeente Den Haag een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Uit bankafschriften bleek dat appellant tussen augustus 2014 en augustus 2016 meerdere kasstortingen en bijschrijvingen ontving die niet waren gemeld.
Het college besloot de bijstand over deze periode te herzien en de teveel ontvangen bedragen terug te vorderen. Appellant voerde aan dat de stortingen afkomstig waren van eerder opgenomen eigen geld en leningen, maar kon dit niet aannemelijk maken met objectieve stukken. De Raad oordeelde dat kasstortingen in beginsel als inkomen moeten worden aangemerkt tenzij het tegendeel wordt bewezen.
Verder stelde appellant dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, maar de Raad vond geen uitzonderlijke omstandigheden die dit rechtvaardigen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Den Haag werd bevestigd en het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand wegens niet-gemelde kasstortingen en bijschrijvingen wordt bevestigd.