ECLI:NL:CRVB:2019:1900
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap en verzekering AOW in hoger beroep
Appellant, geboren in 1951 in Suriname en houder van de Nederlandse nationaliteit, heeft in hoger beroep betwist dat hij in de periode van augustus 1971 tot augustus 1972 verzekerd was voor de Algemene Ouderdomswet (AOW). Hij verbleef toen in Nederland voor studie en stelde dat hij in die periode in dienstbetrekking werkte en loonbelasting betaalde.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) had eerder vastgesteld dat appellant in genoemde periode niet verzekerd was. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had, ondanks zijn verblijf en intentie zich te vestigen.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat ingezetenschap voor de AOW wordt bepaald aan de hand van een duurzame persoonlijke band met Nederland, waarbij intentie alleen onvoldoende is zonder objectieve steun. Appellant verbleef slechts een jaar in Nederland voor studie en had een zelfstandige woonruimte, wat onvoldoende is voor ingezetenschap.
Voorts kon appellant niet aannemelijk maken dat hij in de periode aan de loonbelasting was onderworpen, ondanks verklaringen van derden. De Raad bevestigde daarom het oordeel dat appellant niet verzekerd was voor de AOW in de periode in geding en handhaafde het besluit van de Svb.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet verzekerd was voor de AOW in de periode in geding en wijst het beroep af.