ECLI:NL:CRVB:2019:1917
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.S. van der Kolk
- E. Dijt
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WAO-dagloon na wetswijziging artikel 40 WAO
Appellant, een metselaar met een WAO-uitkering sinds 2000, kreeg zijn dagloon herzien per 22 juni 2016 op basis van een wetswijziging die bepaalt dat de WAO-uitkering niet als loon wordt meegeteld bij de vaststelling van het dagloon. Hij stelde dat deze wijziging tot een nadelige financiële situatie leidde en dat het eigendomsrecht werd geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het nieuwe dagloon hoger was dan het oude, waardoor appellant niet in een nadeligere positie kwam. De Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de wetgever expliciet heeft beoogd de WAO-uitkering niet mee te tellen bij de dagloonberekening, en dat dit niet in strijd is met het eigendomsrecht zoals beschermd door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol.
De Raad overweegt dat appellant geen legitieme verwachting had dat de oude regeling zou blijven gelden en dat de wetswijziging niet onrechtmatig is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.