ECLI:NL:CRVB:2019:1933
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet
Appellant trad in november 2014 in dienst als systeemreiniger en werd op 28 april 2016 op staande voet ontslagen wegens werkweigering. Het UWV weigerde daarop de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door het niet verschijnen op het werk zonder toestemming.
De rechtbank oordeelde dat appellant op 28 april 2016 zonder geldige reden niet op het werk verscheen, ondanks dat hij wist dat hij was ingepland. Appellant had verzuimd tijdig toestemming te vragen en liet zijn werkgever in het ongewisse. De stellingen van appellant over gewoonte binnen het bedrijf en ongestrafte afwezigheid werden niet onderbouwd met stukken.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met persoonlijke omstandigheden en de bedrijfscultuur. Ook stelde hij dat de voorman/planner verantwoordelijk was voor het roosterprobleem. De Raad concludeerde dat de rechtbank de beroepsgronden uitvoerig en overtuigend had gemotiveerd en dat de persoonlijke omstandigheden niet tot een ander oordeel leiden.
De Raad bevestigde dat aan de werkloosheid een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW Pro ten grondslag ligt en dat appellant daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beslissing van het UWV gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.