Appellante ontving studiefinanciering als uitwonende studente, maar de minister herzag dit op basis van een onderzoek naar haar woonsituatie, waarbij getuigenverklaringen en reisgegevens werden gebruikt. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de herziening ongegrond, maar vernietigde de boete. In hoger beroep betoogde appellante dat het bewijs onvoldoende was, onder meer omdat de controleurs mogelijk onbevoegd waren en de getuigenverklaringen niet eenduidig waren.
De Raad oordeelde dat de controleurs bevoegd waren en dat getuigenverklaringen als zelfstandig bewijs kunnen dienen, mits zij een eenduidige conclusie toelaten. In deze zaak waren de verklaringen echter tegenstrijdig en onvoldoende om vast te stellen dat appellante niet op haar BRP-adres woonde. Bovendien was het gebruik van oude en niet-recent gecontroleerde foto's een ernstig gebrek.
De enige overige grondslag, de reisgegevens, waren volgens vaste rechtspraak niet voldoende zonder bijzondere omstandigheden, die niet waren aangetoond. De minister kon het besluit daarom niet voldoende motiveren. De Raad vernietigde het besluit tot herziening en herroept het eerdere besluit, en veroordeelde de minister in de proceskosten.