Appellant, geboren in 2000, diende een aanvraag in voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), welke door het CIZ werd afgewezen omdat de grondslag verstandelijke handicap niet kon worden vastgesteld. Diverse IQ-tests uit eerdere jaren toonden een gemiddeld intelligentieniveau, terwijl een test in 2016 een lager IQ liet zien, maar deze uitslag werd beïnvloed door factoren zoals chronische insomnie.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat er onvoldoende aanleiding was om de grondslag verstandelijke handicap aan te nemen. Appellant stelde dat nader onderzoek, waaronder een persoonlijk onderzoek door CIZ, noodzakelijk was en dat een deskundige benoemd moest worden.
De Raad oordeelde dat het ontbreken van een persoonlijk onderzoek niet leidde tot benadeling van appellant, mede door huisbezoeken en aanvullend medisch onderzoek. De Raad bevestigde dat de cognitieve problemen niet verklaard konden worden vanuit de lichamelijke handicap en dat de grondslag verstandelijke handicap niet aanwezig was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en CIZ werd veroordeeld in de proceskosten.