ECLI:NL:CRVB:2019:1986
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens schending inlichtingenplicht bij IOW-uitkering
Appellant ontving vanaf 19 januari 2014 een IOW-uitkering. Het UWV trok deze uitkering over de periode 1 februari tot 30 april 2014 in en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug, omdat appellant niet had gemeld dat hij vanaf 1 februari 2014 prepensioen ontving. Hierdoor werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze boete niet-ontvankelijk, omdat appellant te laat bezwaar zou hebben gemaakt. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het UWV niet aannemelijk heeft gemaakt dat het boetebesluit van 29 juli 2015 op die datum aan appellant is verzonden, waardoor de bezwaartermijn pas op 31 oktober 2015 begon. Het bezwaar is derhalve ontvankelijk.
Inhoudelijk is vastgesteld dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door het prepensioen niet te melden, ondanks duidelijke informatie hierover in correspondentie en brochures. De boete is terecht vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag, zonder aanwijzingen voor opzet of grove schuld. De Raad past het boetebedrag aan naar € 1.684,67 conform het Boetebesluit socialezekerheidswetten per 1 januari 2017.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en stelt de boete op dit bedrag vast. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt vastgesteld op € 1.684,67 en het bezwaar is ontvankelijk verklaard.