Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan, welke door het UWV werd afgewezen op basis van rapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. Na bezwaar en beroep bleef het UWV bij haar standpunt dat appellant arbeidsvermogen heeft, ondanks medische gegevens over onder meer angststoornissen en de ziekte van Crohn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht en voldoende had gemotiveerd dat appellant mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn medische beperkingen en dat zijn arbeidsmogelijkheden werden overschat.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat appellant arbeidsvermogen bezit. De verzekeringsarts baseerde zijn oordeel op een volledig medisch dossier, inclusief diagnoses als ADHD en cannabisverslaving, en vond geen reden om aan te nemen dat appellant niet ten minste één uur aaneengesloten arbeid kan verrichten. De Raad wijst erop dat de door appellant aangevoerde medische gegevens geen aanleiding geven tot een ander oordeel en dat er geen ruimte is voor belangenafweging bij de Wajong-toekenning.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.