Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:2060

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juni 2019
Publicatiedatum
26 juni 2019
Zaaknummer
17/5237 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende bewijs toegenomen arbeidsongeschiktheid

Appellant, voormalig productiemedewerker, vroeg herhaaldelijk een WIA-uitkering aan na beëindiging van een eerdere uitkering in 2012. Het UWV weigerde de uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant gegrond, maar oordeelde dat er geen nieuwe feiten of toegenomen arbeidsongeschiktheid waren sinds het eerdere besluit.

Appellant stelde in hoger beroep dat zijn arbeidsongeschiktheid was toegenomen, met name door psychische klachten en medicatiegebruik. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant onvoldoende duidelijkheid gaf over de aard en het ontstaan van zijn psychische klachten, met name de diagnose psychose. De medische stukken waren summier en boden geen bewijs van toegenomen beperkingen.

De Raad concludeerde dat er geen grond was voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige en verwierp het hoger beroep. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende bewijs van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

17.5237 WIA

Datum uitspraak: 26 juni 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 juni 2017, 16/10005 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.R. Klaver, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschriften nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 18/4453 WIA, plaatsgevonden ter zitting van 15 mei 2019. Partijen zijn niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in de zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker voor 44,06 uur per week. Op 11 december 2007 heeft appellant zich ziek gemeld met nek- en rugklachten. Het Uwv heeft appellant met ingang van 8 december 2009 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Bij besluit van 18 oktober 2012 heeft het Uwv deze uitkering per 30 november 2012 beëindigd, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschiktheid werd geacht.
1.2.
Op 6 april 2016 heeft appellant opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd. In verband met deze aanvraag heeft appellant op 17 mei 2016 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Bij besluit van 6 juni 2016 heeft het Uwv appellant per 30 november 2012 een WIA-uitkering geweigerd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van
11 november 2016 (bestreden besluit) primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juli 2016 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Het Uwv heeft volgens de rechtbank het bezwaar ten onrechte primair niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake zou zijn van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Vervolgens heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien, bepaald dat het bezwaar ongegrond wordt verklaard en dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant met zijn aanvraag heeft beoogd het Uwv te verzoeken om terug te komen van het eerdere besluit van 18 oktober 2012 en daarnaast een beroep heeft gedaan op toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 30 november 2012. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich op het standpunt kunnen stellen dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn ten opzichte van het eerdere besluit van 18 oktober 2012. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant pas in beroep medische stukken, namelijk twee verklaringen van zijn behandelaars in Marokko, heeft overgelegd. Uit deze stukken blijkt verder dat appellant sinds (in ieder geval augustus) 2012 onder behandeling is in verband met onder andere een chronische psychose, zodat deze stukken ook al voor het besluit van 18 oktober 2012 hadden kunnen worden overgelegd. Het Uwv heeft zich naar het oordeel van de rechtbank daarnaast terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak als die op grond waarvan appellant tot 30 november 2012 beperkt was. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de in verband met de lichamelijke klachten per 30 november 2012 aangenomen beperkingen niet zijn toegenomen. Wat betreft de psychische klachten, die volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de huidige beoordeling op de voorgrond staan, heeft de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in zijn standpunt dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak. In de medische stukken zijn zowel per 30 november 2012 als per latere datum geen aanwijzingen te vinden voor een psychose. Daarbij is betrokken dat de verklaringen van de Marokkaanse behandelaars zeer summier zijn en geen dan wel onvoldoende gegevens bevatten over de gestelde klachten.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak bestreden voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellant heeft gesteld dat hij in het verleden arbeidsongeschikt was, dat hij dit is gebleven en dat zijn arbeidsongeschiktheid is toegenomen. Appellant heeft gesteld dat hij klachten heeft aan de schouders, nek en rug, dat hij psychische klachten heeft en dat hij vijf soorten medicijnen van zijn huisarts krijgt. Wat de psychische klachten betreft heeft appellant gewezen op de medische stukken die hij heeft overgelegd. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak. Appellant heeft gesteld dat een onafhankelijk medisch onderzoek moet worden verricht.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in grote lijnen een herhaling van wat hij in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven in overwegingen 5 tot en met 7.3 van de aangevallen uitspraak, worden onderschreven. Hieraan wordt toegevoegd dat appellant ook in hoger beroep geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn psychische klachten, in het bijzonder niet over de gegevens waarop de diagnose psychose is gebaseerd en per wanneer de psychische klachten zouden zijn ontstaan. Van toegenomen lichamelijke beperkingen is verder niet gebleken. Hieruit volgt dat er ook geen grond is voor de inschakeling van een onafhankelijke deskundige.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2019.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) R.H. Koopman

VC