Appellante, werkzaam bij de politie tussen 1995 en 2009, kreeg in 2009 de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) als gevolg van traumatische werkervaringen. De korpschef had haar ziekte als beroepsziekte erkend, maar aansprakelijkheid voor schade door onvoldoende nazorg geweigerd vanwege verjaring en gebrek aan bewijs.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de korpschef onvoldoende bewijs had geleverd dat hij zijn zorgplicht had nageleefd. Voor de periodes 1995-1998 en 2003-2005 ontbraken stukken en protocollen, en de overgelegde ongedateerde werkwijzen waren onvoldoende.
Ook voor 2006-2009 bleek uit personeelsdossiers geen actieve nazorg. De Raad oordeelde dat de korpschef ten onrechte aansprakelijkheid had geweigerd en vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank. De korpschef moet een nieuwe beslissing nemen, waarbij alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Tevens werd de korpschef veroordeeld in de proceskosten.