ECLI:NL:CRVB:2019:2151
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vaststellingsovereenkomst en verrekening stimuleringspremie in ambtenarenrechtelijke ontslagzaak
Appellant, sinds 1974 werkzaam bij een overheidsinstelling, verzocht om eervol ontslag met een stimuleringspremie, vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst (vso) van 3 september 2016. De vso bevatte bepalingen over de eindafrekening en finale kwijting tussen partijen.
Appellant betwistte de eindafrekening, met name de verrekening van salaris over de periode 15 april 2016 tot 1 september 2016 met de stimuleringspremie, en stelde dat er sprake was van wilsgebreken bij de totstandkoming van de vso. Ook voerde hij aan dat PAS-uren en advocaatkosten niet correct waren verwerkt.
De staatssecretaris wees deze bezwaren af bij besluiten van maart en juni 2017. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Raad oordeelt dat partijen gebonden zijn aan de vso op grond van rechtszekerheid, tenzij sprake is van wilsgebreken of bijzondere omstandigheden. Appellant had zich bij de totstandkoming laten bijstaan door een jurist en had geen rechtsmiddelen ingesteld tegen het besluit dat vernietiging van de vso afwees, waardoor dit besluit in rechte vaststaat.
De Raad bevestigt dat de staatssecretaris de onverschuldigd betaalde bezoldiging mocht verrekenen met de stimuleringspremie op grond van de Ambtenarenwet. De PAS-uren en advocaatkosten behoorden niet tot de afspraken in de vso en konden niet worden nagevorderd. Er was geen schending van het vertrouwensbeginsel. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.