Uitspraak
17.5451 WW
OVERWEGINGEN
kanontstaan, maar of op grond van het oude recht na 1 juli 2015 een nieuw recht
zou zijnontstaan, waarbij voor dat ontstaan het urenverlies en niet het inkomensverlies van belang is voor eventuele herleving van het oude recht. Daarbij is het door de rechtbank genoemde criterium van onaanvaardbare financiële gevolgen onjuist, omdat het om een keuze van de wetgever gaat. Verder heeft de rechtbank het beroep op artikel 130aa van de WW ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Indien dit artikel zou moeten worden toegepast, is er sprake van een samenloop van een oud recht en een nieuw recht, waarbij het oude recht moet worden omgezet naar een nieuw recht. Artikel 130aa van de WW is echter niet van toepassing, omdat de situatie van werknemer onder geen van de drie in het Besluit conversie WW genoemde situaties valt.
WW-recht herleeft, dat vervolgens op grond van het Besluit conversie WW wordt omgezet. De rechtbank heeft dit standpunt onderschreven.
artikel 120 van Pro de Grondwet en artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen niet vrij om formele wetgeving te toetsen op haar grondwettigheid noch om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. Dit betekent dat de rechter de keuze van de wetgever voor de in het overgangsrecht van artikel 130z en 130aa van de WW neergelegde voorwaarden moet respecteren.