ECLI:NL:CRVB:2019:2176
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenplicht en onduidelijke financiële situatie
Appellante ontving bijstand van de gemeente Kerkrade vanaf 2007, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Na een onderzoek door een sociaal rechercheur en een consulent stelde het college vast dat appellante onvoldoende medewerking verleende en mogelijk onjuiste informatie had verstrekt over haar woonplaats en financiële situatie. Het college beëindigde daarom de bijstand per 13 december 2016 en trok de bijstand over de periode van 1 november 2014 tot 13 december 2016 in, met terugvordering van €17.905,56.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het college onvoldoende concrete feiten had om te bewijzen dat zij niet meer in de gemeente woonde. De Raad oordeelde dat het college het primaire standpunt over het ontbreken van woonplaats onvoldoende had onderbouwd, omdat het centrum van haar maatschappelijk leven niet overtuigend buiten de gemeente was vastgesteld.
Het subsidiaire standpunt dat appellante haar financiële situatie niet duidelijk had gemaakt, werd door de Raad wel aanvaard. Appellante had onvoldoende en niet-verifieerbare gegevens verstrekt over de financiële steun die zij ontving, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Ook het bezwaar tegen terugvordering wegens vermeende onaanvaardbare gevolgen werd verworpen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht over de financiële situatie van appellante.