ECLI:NL:CRVB:2019:2193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens detentie zonder zeer dringende redenen
Appellant ontving bijstand als alleenstaande ouder met een minderjarige zoon. Na onderzoek bleek dat appellant van 18 december 2015 tot en met 9 februari 2016 in Nederland en België gedetineerd was. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok daarop de bijstand over deze periode in, omdat appellant rechtens zijn vrijheid was ontnomen op grond van artikel 13, eerste lid en onder a, van de Participatiewet (PW).
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep dezelfde gronden aan, zonder nieuwe feiten of argumenten. De Raad sloot zich aan bij het oordeel van de rechtbank en benadrukte dat het recht op gezinsleven niet wordt belemmerd door toepassing van artikel 13 PW Pro. De voorkeur van de minderjarige zoon om tijdens detentie bij appellant te verblijven, is een particuliere omstandigheid die niet op de bijstand mag worden afgewenteld.
Verder stelde de Raad vast dat er geen juridische grond was voor zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16 PW Pro. Appellant maakte niet aannemelijk dat de moeder van de zoon, die ook zorgplicht heeft, niet tijdelijk voor hem kon zorgen. Ook de bescherming van artikel 8 EVRM Pro verplicht het college niet tot financiële ondersteuning tijdens detentie.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek tot schadevergoeding afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking van bijstand tijdens detentie wordt bevestigd, zonder toekenning van schadevergoeding.