Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:2193

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 april 2019
Publicatiedatum
9 juli 2019
Zaaknummer
17/3666 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 ParticipatiewetArt. 16 ParticipatiewetArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstand wegens detentie zonder zeer dringende redenen

Appellant ontving bijstand als alleenstaande ouder met een minderjarige zoon. Na onderzoek bleek dat appellant van 18 december 2015 tot en met 9 februari 2016 in Nederland en België gedetineerd was. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok daarop de bijstand over deze periode in, omdat appellant rechtens zijn vrijheid was ontnomen op grond van artikel 13, eerste lid en onder a, van de Participatiewet (PW).

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep dezelfde gronden aan, zonder nieuwe feiten of argumenten. De Raad sloot zich aan bij het oordeel van de rechtbank en benadrukte dat het recht op gezinsleven niet wordt belemmerd door toepassing van artikel 13 PW Pro. De voorkeur van de minderjarige zoon om tijdens detentie bij appellant te verblijven, is een particuliere omstandigheid die niet op de bijstand mag worden afgewenteld.

Verder stelde de Raad vast dat er geen juridische grond was voor zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16 PW Pro. Appellant maakte niet aannemelijk dat de moeder van de zoon, die ook zorgplicht heeft, niet tijdelijk voor hem kon zorgen. Ook de bescherming van artikel 8 EVRM Pro verplicht het college niet tot financiële ondersteuning tijdens detentie.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek tot schadevergoeding afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De intrekking van bijstand tijdens detentie wordt bevestigd, zonder toekenning van schadevergoeding.

Uitspraak

17.3666 PW-PV

Datum uitspraak: 30 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 maart 2017, 16/4266 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats 1] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Zitting hebben: M. Hillen, F. Hoogendijk en E.C.G. Okhuizen.
Griffier: J. Tuit
Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant woonde ten tijde hier van belang met zijn minderjarige zoon (Z) in Utrecht. Appellant ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zijn echtgenote, de moeder van hun beider zoon, woont met een andere zoon in [woonplaats 2]. Uit een onderzoek is gebleken dat appellant eerst in Nederland gedetineerd is geweest in afwachting van zijn uitlevering aan België en aansluitend in België. Naar aanleiding hiervan heeft het college de over de periode van 18 december 2015 tot en met 9 februari 2016 aan appellant verleende bijstand ingetrokken en die intrekking gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van
16 juli 2016 (bestreden besluit). Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat aan appellant rechtens zijn vrijheid was ontnomen, zodat hij op grond van artikel 13, eerste lid en onder a, van de Participatiewet (PW) geen recht had op bijstand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat, het volgende overwogen. Gelet op de vaste rechtspraak - zie de uitspraak van 15 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:
BK8376 - bestond voor de periode van de uitleveringsdetentie in Nederland, van
18 december 2015 tot 29 december 2015, anders dan appellant heeft aangevoerd, een juridische titel voor de vrijheidsontneming van appellant. Daarmee staat vast dat aan appellant in de periode van 18 december 2015 tot en met 9 februari 2016 rechtens zijn vrijheid was ontnomen. Het college was dan ook gehouden het recht op bijstand over die periode in te trekken. Van zeer dringende redenen voor toepassing van artikel 16, eerste lid, van de PW, was geen sprake. Volgens vaste rechtspraak - zie de uitspraak van 3 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1705 - doen zeer dringende redenen zich voor als sprake is van een acute noodsituatie. Appellant heeft aangevoerd dat hiervan sprake was omdat zijn minderjarige zoon bij hem woonde. Hij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de moeder, die ook het gezag over en een zorgplicht jegens Z had, niet tijdelijk voor Z kon zorgen. Ten slotte strekt de bescherming die artikel 8 van Pro het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) biedt niet zo ver dat het college verplicht is appellant ook tijdens zijn detentie financieel in staat te stellen om Z te onderhouden.
3. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de vorenweergegeven overwegingen waarop dat oordeel rust. De Raad voegt daar nog aan toe dat de uitoefening van het recht op gezinsleven op zich zelf niet wordt belemmerd door de toepassing van artikel 13, eerste lid en onder a, van de PW. Dat Z de voorkeur had om tijdens de detentie van appellant toch in de woning van appellant te verblijven en niet bij de (ook onderhoudsplichtige) moeder, is een particuliere omstandigheid die niet op de bijstand dient te worden afgewenteld.
4. Nu het hoger beroep niet slaagt, bestaat ook geen grond voor een veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat eveneens geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) J. Tuit (getekend) M. Hillen