Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:2213

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 mei 2019
Publicatiedatum
9 juli 2019
Zaaknummer
18-2917 AW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a Tijdelijke regeling overstap naar een niet bezwarende functie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering toekenning arrangement C op grond van Tijdelijke regeling overstap naar niet bezwarende functie

Appellante verzocht om toekenning van arrangement C op grond van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet bezwarende functie. De minister weigerde dit bij besluit van 24 november 2016, gehandhaafd na bezwaar op 12 juni 2017. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de regeling alleen ziet op ambtenaren in een substantieel bezwarende functie die verplicht zijn van-werk-naar-werk-kandidaat en die eervol ontslag op eigen verzoek krijgen binnen zes maanden. Appellante was wel verplicht van-werk-naar-werk-kandidaat, maar haar vertrek betrof een overplaatsing binnen de Rijksoverheid en geen ontslag op eigen verzoek.

Appellante deed een beroep op het vertrouwensbeginsel, verwijzend naar uitlatingen van collega’s, maar de Raad vond geen ondubbelzinnige toezegging die een gerechtvaardigde verwachting kon scheppen. Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalde, omdat appellante redelijkerwijs kon verwachten dat het eerdere besluit onjuist was. Er was geen ongerechtvaardigd onderscheid omdat het onderscheid objectief gerechtvaardigd is door de situatie van verplichte van-werk-naar-werk-kandidaten.

De Raad bevestigde het bestreden vonnis en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de weigering van toekenning van arrangement C.

Uitspraak

18.2917 AW-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 april 2018, 17/1902 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)
Datum uitspraak: 10 mei 2019
Zitting hebben: C.H. Bangma als voorzitter en T. Avedissian en A. Beuker-Tilstra als leden.
Griffier: E. Stumpel
Appellante is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. C.M. Prade en A. Rekker.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Bij besluit van 24 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 juni 2017, heeft de minister geweigerd om appellante op grond van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet bezwarende functie (Tijdelijke regeling) arrangement C toe te kennen.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3339) kan uit de volstrekt heldere tekst van artikel 3a van de Tijdelijke regeling niet anders worden afgeleid dan dat het de bedoeling van de regelgever en de strekking van de Tijdelijke regeling is dat de ambtenaar in een substantieel bezwarende functie, die verplicht van-werk-naar-werk-kandidaat is, aanspraak maakt op een loopbaanpremie als aan hem in de eerste zes maanden als verplichte van-werk-naar-werk-kandidaat eervol ontslag op eigen verzoek wordt verleend.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellante is aangemerkt als verplichte van-werk-naar-werk-kandidaat. Verder concludeert de Raad dat geen sprake is van een ontslag op eigen verzoek, maar van een overplaatsing. Appellante heeft namelijk een andere baan gevonden binnen de Rijksoverheid, wat moet worden aangemerkt als een overplaatsing.
Appellante heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en daarbij gewezen op de uitlatingen van collega’s. De Raad ziet hierin geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijk toezegging, waaraan appellante een gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen.
Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt ook niet. Appellante had redelijkerwijs kunnen verwachten dat het eerdere besluit van 21 juli 2016 onjuist was.
Verder vindt de Raad dat geen sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid. De Raad is het eens met de rechtbank dat er sprake is van een objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid in het feit dat voor een verplichte van-werk-naar-werk-kandidaat vaststaat dat diens functie komt te vervallen. Medewerkers kunnen zo uitstromen naar een niet substantieel bezwarende functie.
Uit het voorgaande volgt dat de Raad, net als de minister en de rechtbank, tot de conclusie komt dat appellante niet voldoet aan de criteria van de Tijdelijke regeling.
Het hoger beroep slaagt daarom niet. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.
Geen aanleiding bestaat voor een veroordeling in de proceskosten.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) E. Stumpel (getekend) C.H. Bangma
md