ECLI:NL:CRVB:2019:2233
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging woonkostentoeslag en opleggen verhuisverplichting niet onrechtmatig
Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en woonkostentoeslag voor haar eigen woning. Het college heeft de toeslag met ingang van 1 januari 2016 beëindigd en een verhuisverplichting opgelegd om een goedkopere woning te aanvaarden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogt appellante dat de verhuisverplichting onevenredige gevolgen heeft, dat het college onvoldoende onderzoek deed naar beëindiging, en dat sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van huurders met huurtoeslag. De Raad oordeelt dat de verhuisverplichting binnen de wettelijke bevoegdheid valt en niet onredelijk is, dat het besluit een correctie betreft en geen belastend besluit tot beëindiging, en dat er geen sprake is van ongelijke behandeling.
Verder wordt geoordeeld dat het beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol EVRM faalt omdat toekenning van een uitkering geen eigendomsrecht betreft. Het hoger beroep wordt afgewezen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om schadevergoeding verworpen. Het college wordt wel veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen, de woonkostentoeslag wordt beëindigd en de verhuisverplichting is rechtmatig opgelegd.