ECLI:NL:CRVB:2019:2263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoogte individuele inkomenstoeslag en leeftijdsdiscriminatie volgens Participatiewet
Appellant verzocht om een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 van Pro de Participatiewet, welke aanvankelijk werd afgewezen omdat hij niet deelnam aan een schuldhulptraject. Na een eerdere uitspraak die de verordening onverbindend verklaarde, kende het college alsnog een toeslag van €50,- toe op basis van een nieuwe verordening die in 2017 in werking trad.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de toeslag te laag was en in strijd met de bedoeling van de wetgever, en dat er sprake was van leeftijdsdiscriminatie omdat pensioengerechtigden een hogere norm hadden. De Raad oordeelde dat de verordening een algemeen verbindend voorschrift is en dat toetsing beperkt is tot exceptieve toetsing, waarbij geen aanwijzingen waren dat het bedrag niet strookte met de wetgeverbedoeling.
Verder oordeelde de Raad dat er geen sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat de Participatiewet en de Algemene ouderdomswet verschillende doelstellingen hebben en pensioengerechtigden hogere normbedragen gelden. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de individuele inkomenstoeslag van €50,- rechtmatig is en dat er geen sprake is van ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie.