Appellante verhuisde in december 2015 vanwege een executieverkoop en vroeg in maart 2016 bijzondere bijstand aan voor woninginrichting en verhuiskosten ter hoogte van € 2.226,64. Het college wees de aanvraag af omdat de aanvraag niet binnen drie maanden na het ontstaan van de kosten was ingediend en de noodzaak van de kosten niet was aangetoond.
De rechtbank oordeelde dat geen bijzondere bijstand kan worden verleend voor kosten die vóór de aanvraagdatum zijn gemaakt, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellante stelde dat een medewerker van de gemeente haar had geadviseerd de bonnen te sparen en in één keer in te dienen, maar dit beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde niet wegens het ontbreken van een ondubbelzinnige toezegging.
Voor de verhuiskosten werd een forfaitair maximum van € 400,- gehanteerd, waarvan appellante vond dat dit onvoldoende was. De Raad stelde vast dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de kosten hoger waren dan het forfait en dat de factuur onvoldoende specificatie gaf om hogere kosten te rechtvaardigen.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.