Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:2332

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2019
Publicatiedatum
16 juli 2019
Zaaknummer
17/2799 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens schending inlichtingenplicht bij hennepkwekerij

Appellant ontving vanaf 1 augustus 2008 een WAO-uitkering. Op 22 december 2014 trof de politie een hennepkwekerij met 197 planten aan in zijn woning, waarbij illegale stroomafname werd vastgesteld. Appellant had deze betrokkenheid niet gemeld aan het UWV, wat een schending van de inlichtingenplicht vormt.

Het UWV stelde vast dat appellant over de periode van 1 juni 2014 tot 23 december 2014 geen recht had op uitkering vanwege inkomsten uit de hennepkwekerij en vorderde onverschuldigd betaalde uitkeringen terug. De rechtbank en het hof bevestigden de strafrechtelijke veroordeling, maar het hof wees de ontnemingsvordering af wegens onvoldoende bewijs van financieel voordeel.

De bestuursrechter oordeelde dat het UWV voldoende onderzoek had verricht en dat de schatting van het genoten voordeel op basis van politie- en netwerkbeheerderrapporten toereikend was. De Raad volgde dit oordeel en verwierp het beroep van appellant, die stelde dat het arrest van het hof gevolgd moest worden en dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen.

De Raad stelde vast dat de terugvordering terecht was en dat geen dringende redenen aanwezig waren om hiervan af te zien. De financiële situatie van appellant werd meegewogen bij de invordering, maar vormde geen reden om de terugvordering te staken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

17.2799 WAO

Datum uitspraak: 27 juni 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
23 maart 2017, 16/1280 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Kilinç, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A. Kilinç. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant ontvangt vanaf 1 augustus 2008 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2.
Op 22 december 2014 is door de politie een hennepkwekerij met 197 planten aangetroffen in de woning van appellant aan de [adres]. Diezelfde dag is appellant verhoord door de politie en heeft hij een verklaring afgelegd, waarbij hij onder andere heeft verklaard dat hij rond juni 2014 is begonnen met de opbouw van de hennepkwekerij. De bevindingen van de politie zijn opgenomen in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 30 januari 2015 (rapport BWVV). De stroom ten behoeve van deze hennepkwekerij werd illegaal afgetapt. De hennepplanten werden door de politie zes weken oud geschat. Volgens de politie is, gezien de aangetroffen vervuiling en de verklaring van appellant dat hij in juni is begonnen met de bouw van de kwekerij, aannemelijk dat appellant in de periode van 1 juni 2014 tot 22 december 2014 tweemaal eerder heeft geoogst. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is volgens het rapport BWVV bepaald op € 36.034,68.
1.3.
Naar aanleiding van de bevindingen uit het politieonderzoek en uit een onderzoek ingesteld door netwerkbeheerder Stedin, waarin is geconcludeerd dat appellant voor een bedrag van € 3.883,41 illegaal aan elektriciteit heeft afgetapt, heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de WAO-uitkering van appellant. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 6 juni 2015.
1.4.
Bij besluit van 30 juli 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant over de periode van 1 juni 2014 tot 23 december 2014 geen recht heeft op uitbetaling van zijn WAO-uitkering, omdat hij in die periode inkomsten heeft ontvangen uit de exploitatie van een hennepkwekerij. Tevens is de over die periode onverschuldigd betaalde WAO-uitkering ten bedrage van € 10.166,67 (bruto) van appellant teruggevorderd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.5.
In vervolg op het aantreffen van de hennepkwekerij heeft de rechtbank
Midden-Nederland op 12 oktober 2015 vonnis gewezen in een daarop betrekking hebbende strafzaak tegen appellant en naar aanleiding van een vordering tot voordeelsontneming uitspraak gedaan. De rechtbank heeft appellant in de strafzaak veroordeeld tot een werkstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand voor het op 22 december 2014 opzettelijk telen van 197 hennepplanten, alsmede voor diefstal van stroom in de periode van 1 juni 2014 tot en met 22 december 2014. In de ontnemingszaak heeft de rechtbank het bedrag waarop het door appellant wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat over de periode van 1 juni 2014 tot en met 22 december 2014 vastgesteld op € 17.380,08. De rechtbank is er hierbij vanuit gegaan dat appellant éénmaal heeft geoogst. Appellant heeft tegen beide vonnissen hoger beroep ingesteld.
1.6.
Bij beslissing op bezwaar van 26 januari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het besluit van 30 juli 2015 gehandhaafd, met dien verstande dat het Uwv, in navolging van de rechtbank Midden‑Nederland, is uitgegaan van één gerealiseerde oogst waaruit door appellant € 17.380,08 aan inkomsten is genoten.
1.7.
Op 7 april 2016 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden arrest gewezen in het hoger beroep van appellant in de strafzaak en de ontnemingszaak. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank in de strafzaak bevestigd. Het hof heeft het vonnis in de ontnemingszaak vernietigd en de ontnemingsvordering afgewezen, omdat volgens het hof uit het strafdossier en de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet is gebleken dat appellant uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
2.1.
Vaststaat dat appellant de eigenaar was van de op 22 december 2014 aangetroffen hennepkwekerij en dat appellant aan het Uwv geen opgave heeft gedaan van deze hennepkwekerij. Volgens vaste rechtspraak dient melding gemaakt te worden van het verrichten van werkzaamheden gericht op het opzetten en in bedrijf houden van een hennepkwekerij, aangezien dit wordt aangemerkt als een omstandigheid welke van belang is voor de verlening van een uitkering, ongeacht of daaruit inkomsten worden genoten. Omdat appellant bij het Uwv geen melding heeft gemaakt van de hennepkwekerij en aan het Uwv geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt wat zijn inkomsten zijn geweest, was het Uwv bevoegd om de in aanmerking te nemen inkomsten op een redelijke wijze te schatten. Het Uwv mocht daarbij het rapport BWVV en het onderzoek van netwerkbeheerder Stedin als uitgangspunt nemen. Deze rapporten vormen samen met het onderzoeksrapport van 16 juni 2015 voldoende feitelijke grondslag voor de schatting van het Uwv dat appellant ten tijde van belang inkomsten uit arbeid heeft genoten die hoger zijn dan zijn maatmaninkomen. Het Uwv heeft voldoende eigen onderzoek verricht en mocht zich baseren op de voorliggende stukken en heeft op grond daarvan een eigen afweging gemaakt. Dit heeft er toe geleid dat het Uwv in bezwaar aanleiding heeft gezien om op grond van wat door appellant in bezwaar is aangevoerd en in navolging van de uitspraak van de rechtbank in de strafzaak het wederrechtelijk verkregen voordeel lager vast te stellen door uit te gaan van één oogst. Appellant heeft zijn standpunt dat hij in het geheel geen inkomsten uit de hennepkwekerij heeft genoten niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. De gevolgen van het ontbreken van die gegevens komen naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van appellant. De omstandigheid dat het hof in de ontnemingszaak heeft uitgesproken dat appellant geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, leidt niet tot een ander oordeel. Dat het Uwv op grond van de vaststelling dat appellant slechts éénmaal heeft geoogst het terug te vorderen bedrag dient vast te stellen op € 5.200,60 over de periode van 2 september 2014 tot 23 december 2014, kan de rechtbank evenmin volgen. Vaststaat dat appellant de hennepkwekerij heeft geëxploiteerd vanaf 1 juni 2014. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat vanaf 1 juni 2014 niet is voldaan aan de inlichtingenverplichting. Niet van belang is hoeveel keer er sindsdien is geoogst. Volgens de rechtbank heeft het Uwv genoegzaam aannemelijk gemaakt dat appellant in de periode van
1 juni 2014 tot 23 december 2014 betrokken is geweest bij de hennepkwekerij en daaruit inkomsten heeft genoten hoger dan zijn maatmaninkomen. Het Uwv heeft dan ook terecht vastgesteld dat appellant over die periode geen recht heeft op uitbetaling van zijn uitkering en heeft de over die periode onverschuldigd betaalde uitkering terecht van appellant teruggevorderd. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien, is de rechtbank niet gebleken. Dat de terugvordering voor appellant mogelijk grote financiële gevolgen heeft, vormt geen dringende reden om van terugvordering af te zien.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv geen eigen onderzoek heeft verricht. Daardoor is niet aannemelijk gemaakt dat appellant inkomsten uit hennepteelt heeft gehad. Appellant heeft verder gesteld dat hij wel heeft onderbouwd dat hij geen inkomsten uit hennepteelt heeft gehad. De periode van terugvordering begint volgens appellant, uitgaande van één oogst (met een groeiperiode van 10 weken), op 1 september 2014. Het gaat dan immers om de periode waarop de inkomsten betrekking hebben en niet op de periode waarover de inlichtingenplicht is geschonden. Appellant heeft aangevoerd dat het Uwv het arrest van het hof in de ontnemingszaak moet volgen dat hij geen financieel voordeel heeft genoten. Van de terugvordering dient bovendien te worden afgezien in verband met dringende redenen, zijnde de financiële situatie van appellant. Appellant heeft in dit verband verwezen naar een beslissing op bezwaar van het Uwv van 23 februari 2017, waarbij het bezwaar tegen het invorderingsbesluit gegrond is verklaard vanwege ontbreken aflossingscapaciteit.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 4.1 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Het oordeel van de rechtbank dat appellant vanaf 1 juni 2014 bij de hennepkwekerij was betrokken en dat vanaf die datum de inlichtingenplicht is geschonden wordt gedeeld. Appellant is vanaf dat moment begonnen met het opbouwen van de installaties van de hennepkwekerij en het had op zijn weg gelegen om deze betrokkenheid te melden. Omdat hij dat niet heeft gedaan, is terecht vastgesteld dat appellant over de periode 1 juni 2014 tot 23 december 2014 de inlichtingenplicht heeft geschonden.
4.3.
De rechtbank wordt voorts gevolgd in het oordeel dat het onderzoek naar de inkomsten dat het Uwv aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd voldoende is. Verwezen wordt naar overweging 4.4 van de aangevallen uitspraak die geheel wordt onderschreven.
4.4.
Nu voorts aannemelijk is dat appellant in de betreffende periode inkomsten heeft genoten die hoger zijn dan zijn maatmaninkomen, wordt met de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant geen recht had op uitbetaling van zijn uitkering en het onverschuldigd betaalde over die periode moest worden teruggevorderd. De grond van appellant dat het arrest van het hof waarin de ontnemingsvordering is afgewezen moet worden gevolgd, slaagt niet, reeds omdat uit het arrest niet blijkt welke feiten en omstandigheden aan het oordeel van het hof ten grondslag liggen. Anders dan bij het hof heeft appellant in de onderhavige procedure bij de Raad geen ‘alternatieve verklaring’ voor de berekening van het genoten voordeel gegeven. Onder deze omstandigheden mocht het Uwv aan de berekening een schatting ten grondslag leggen die mede was gebaseerd op het rapport BWVV.
4.5.
Uit vaste rechtspraak van de Raad vloeit voort dat slechts van een dringende reden kan worden gesproken als de terugvordering onaanvaardbare financiële of sociale consequenties heeft voor de betrokkene. Van een dringende reden op grond waarvan had moeten worden afgezien van terugvordering is niet gebleken. Met de omstandigheid dat appellant geen aflossingscapaciteit heeft, heeft het Uwv rekening gehouden door niet tot invordering over te gaan.
5. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van O.V. Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2019.
(getekend) H.G. Rottier
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC