Uitspraak
17.3613 WAJONG
4 april 2017, 16/3060 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1982, ontving sinds 2000 een Wajong-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een verzekeringsgeneeskundige herbeoordeling in 2016 stelde het UWV een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waarop werd geconcludeerd dat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt was en zijn uitkering per 17 augustus 2016 werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond, omdat de FML van januari 2017 als juist werd beschouwd en de geselecteerde functies medisch passend waren. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd afgewezen wegens het ontbreken van ondubbelzinnige toezeggingen door het UWV.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij meer beperkt was dan vastgesteld, dat de functies niet passend waren en dat het UWV het vertrouwensbeginsel had geschonden. De Centrale Raad van Beroep volgde echter de rechtbank en oordeelde dat de medische gegevens en functionele beoordeling voldoende waren, dat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagde.
De Raad bevestigde het besluit tot beëindiging van de Wajong-uitkering en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Wajong-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid.