Uitspraak
17.4103 PW
25 april 2017, 16/6985 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, eigenaar van een woning die zij verhuurde om hypotheeklasten te voldoen, vroeg bijstand aan. Het college wees de aanvraag af omdat de huuropbrengsten hoger waren dan de bijstandsnorm. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij niet vrij over de huuropbrengsten kon beschikken vanwege verpanding aan de bank en contractuele verplichtingen.
De Raad oordeelde dat de huuropbrengsten op haar bankrekening werden gestort en zij vrijelijk over die rekening kon beschikken. Het feit dat zij de gelden gebruikte voor hypotheeklasten en dat de bank een pandrecht had, beperkte haar beschikkingsmacht niet zolang de bank het pandrecht niet inroept. Volgens vaste rechtspraak moet beschikken worden uitgelegd als feitelijke aanwending van middelen voor noodzakelijke kosten.
De Raad concludeerde dat appellante over de huuropbrengsten kon beschikken en deze als inkomen moesten worden beschouwd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag bijstand is terecht afgewezen omdat appellante vrij over de huuropbrengsten kon beschikken.