Appellant was tot 2 april 2014 als zelfstandige werkzaam en vroeg vanaf 3 april 2014 bijstand aan. Het college vermoedde dat appellant zijn werkzaamheden voortzette en startte een onderzoek, waarbij bankafschriften en internetonderzoek werden ingezet. Op basis hiervan trok het college de bijstand in en vorderde de kosten terug wegens het niet melden van op geld waardeerbare werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond maar vernietigde het besluit tot terugvordering deels, waarna het college een nieuw besluit nam. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij in de eerste zes maanden vanwege knieklachten niet had gewerkt, wat de Raad verwierp op basis van bewijs van actieve bedrijfsactiviteiten en banktransacties.
De Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van werkzaamheden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Gezien het dwingende karakter van de wet was toetsing aan disproportionaliteit niet mogelijk. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.