ECLI:NL:CRVB:2019:2524
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van voldoende procesbelang bij aanvraag bijzondere bijstand verhuizing
Appellante, een bijstandsgerechtigde, had bijzondere bijstand aangevraagd voor kosten verbonden aan een voorgenomen verhuizing, waaronder eerste huur, waarborgsom en inrichting. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af omdat geen sprake was van noodzakelijke kosten of bijzondere omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij nog steeds op de wachtlijst van de woningvereniging staat en in de toekomst mogelijk opnieuw een aanvraag zal doen, waardoor zij volgens haar procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit. De Raad overwoog dat procesbelang vereist dat het nagestreefde resultaat daadwerkelijk bereikt kan worden en betekenis heeft voor de indiener. Een louter toekomstig of principieel belang is onvoldoende.
Omdat het woningaanbod was ingetrokken en appellante niet verhuisd was, waren de kosten niet meer actueel. De Raad oordeelde dat een mogelijke toekomstige aanvraag niet gelijkgesteld kan worden met de situatie in eerdere jurisprudentie waarbij een inhoudelijk oordeel relevant was voor vergelijkbare aanvragen. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van voldoende procesbelang.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door A.B.J. van der Ham, in aanwezigheid van griffier A.A.H. Ibrahim, op 30 juli 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende procesbelang.