ECLI:NL:CRVB:2019:2549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluit over geschiktheid functies en ziekengeld na eerste ziektejaar
Appellant, voormalig filiaalmanager, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling stelde het UWV vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen met drie geselecteerde functies, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische beperkingen, onderbouwd met medische rapporten en een verzekeringsgeneeskundig onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordeling zorgvuldig was en de geselecteerde functies medisch geschikt waren. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt over onderschatting van beperkingen en urenbeperking. De Raad oordeelde dat het rapport van de verzekeringsarts Fokke, die alleen dossieronderzoek verrichtte, onvoldoende aanleiding gaf om de medische oordeelsvorming van het UWV te betwijfelen.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellant vielen. Ook het bezwaar dat het UWV een nieuwe uitlooptermijn had moeten geven werd verworpen omdat dezelfde functies in primaire en bezwaarfase waren gebruikt. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.