Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:2659

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2019
Publicatiedatum
8 augustus 2019
Zaaknummer
19/1443 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding

Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet als alleenstaande ouder vanaf november 2016. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de Sociale Recherche Maastricht een onderzoek naar haar woonsituatie, waarbij werd vastgesteld dat zij samen met A een gezamenlijke huishouding voerde op het uitkeringsadres.

Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht herzag daarop de bijstand over de periode van 1 februari tot en met 12 mei 2017 naar de norm voor gehuwden en vorderde €3.328,80 terug wegens het niet melden van de gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat zij niet aan haar verklaring kon worden gehouden en dat A op haar eigen adres woonde. De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante en A voldoende feitelijke grondslag boden voor het standpunt van het college. Tevens was sprake van wederzijdse zorg, zoals het delen van bankpassen, samen koken, en gezamenlijke zorg voor een kind en huisdier.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.

Uitspraak

19.1443 PW

Datum uitspraak: 23 juli 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 februari 2019, 18/1099 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.F.E. Sprenkels, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2019. Namens appellante is mr. Sprenkels verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Aydogan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving vanaf 3 november 2016 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij verbleef op het adres [adres] (uitkeringsadres).
1.2.
Naar aanleiding van een anonieme melding, onder meer inhoudende dat [A] (A) al jaren niet meer in haar eigen woning is geweest en bij appellante verblijft op het uitkeringsadres, heeft de Sociale Recherche Maastricht (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, in de periode van 7 april 2017 tot en met 11 mei 2017 waarnemingen verricht bij het adres van A en op 11 mei 2017 getracht een onaangekondigd huisbezoek af te leggen aan de woning op dat adres. Vervolgens heeft de sociale recherche een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan de woning van appellante op het uitkeringsadres. Bij dat huisbezoek zijn zowel appellante als A in de woning aangetroffen en door de sociale recherche gehoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 3 juli 2017.
1.3.
De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 8 augustus 2017, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 april 2018 (bestreden besluit), de bijstand van appellante over de periode van 1 februari 2017 tot en met 12 mei 2017 te herzien naar de norm voor gehuwden en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.328,80 van appellante terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat appellante in de periode van 1 februari 2017 tot en met 12 mei 2017 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met A. Appellante kon om die reden niet langer als zelfstandig subject van bijstand worden beschouwd, zodat zij in deze periode geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Door hiervan geen mededeling te doen aan het college heeft appellante de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De in dit geding te beoordelen periode loopt van 1 februari 2017 tot en met 12 mei 2017.
4.2.
Ter beoordeling ligt voor of voldoende feitelijke grondslag aanwezig is voor het standpunt van het college dat appellante in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met A.
4.3.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de PW is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4.4.
Uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college zich voor het standpunt dat in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en A op het uitkeringsadres met name heeft gebaseerd op de verklaringen die appellante en A op 11 mei 2017 afzonderlijk tegenover de sociale recherche hebben afgelegd.
4.5.
Appellante en A stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen ingeschreven. Dat staat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat hetzelfde adres als het hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
4.6.
Anders dan appellante heeft aangevoerd bieden de onder 4.4 bedoelde verklaringen, tezamen bezien, een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellante en A hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van appellante aan het uitkeringsadres. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.6.1.
Appellante heeft, nadat aan haar het begrip hoofdverblijf was uitgelegd en zij had verklaard dit te begrijpen, op 11 mei 2017 verklaard dat A nu een paar maanden op haar adres verblijft. Zij kan zeggen dat A vanaf begin februari 2017 daar woonachtig is. A kan niet in haar (eigen) flat wonen, in verband met rommel die de ex-vrouw van A daar heeft achtergelaten.
4.6.2.
Deze verklaring van appellante stemt in grote lijnen overeen met de verklaring die A eveneens op 11 mei 2017 heeft afgelegd. A heeft onder meer verklaard dat zij sinds december 2016 overwegend op het uitkeringsadres verblijft en heeft bevestigd dat het klopt dat zij feitelijk niet op haar eigen adres verblijft, maar op het uitkeringsadres. Zij heeft daarbij toegelicht dat haar huis eigenlijk een grote kledingkast en opslagruimte is, dat haar huis een puinhoop is en dat zij daar niet gezond kan wonen.
4.6.3.
De beroepsgrond dat appellante niet aan haar verklaring kan worden gehouden omdat haar door de sociale recherche woorden in de mond zijn gelegd, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. In dit geval bestaan onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Appellante heeft haar verklaring op 11 mei 2017 afgelegd tegenover de twee sociaal rechercheurs en heeft die verklaring na voorlezing op iedere pagina ondertekend. In het verslag van verhoor van 11 mei 2017 zijn de vragen die aan appellante zijn gesteld en de antwoorden die appellante heeft gegeven afzonderlijk weergegeven. Hieruit blijkt niet dat haar woorden in de mond zijn gelegd. Bovendien blijkt uit het slot van het verslag van verhoor dat appellante zich netjes behandeld voelde tijdens het gesprek en dat zij haar verklaring in vrijheid heeft afgelegd. Zij heeft bevestigd dat de verklaring juist en volledig is opgeschreven.
4.6.4.
Appellante heeft ter zitting nog aangevoerd dat A wel degelijk heeft verklaard op haar eigen adres te wonen, waarbij zij heeft gewezen op een aantal passages uit de verklaring van A. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. A heeft inderdaad aanvankelijk verklaard meestal thuis te zijn in de woning op het adres waar zij staat ingeschreven en dat laatstbedoeld adres geen postadres is, maar dat zij daar woont. Nadat zij is geconfronteerd met de inhoud van de waarnemingen en haar is gevraagd te vertellen hoe het nu echt zit, is A echter op haar eerdere verklaring teruggekomen en heeft zij verklaard zoals onder 5.4 is vermeld.
4.7.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.
4.8.
De afgelegde verklaringen bieden eveneens voldoende grondslag voor het standpunt van het college dat sprake was van wederzijdse zorg. Appellante en A hebben beiden verklaard dat zij over en weer gebruik kunnen maken van elkaars bankpas als het nodig is. Hieruit blijkt van financiële verstrengeling. Verder heeft appellante onder meer verklaard dat zij samen koken en eten en dat zij samen poetsen. De was, ook die van A, wordt door de moeder van appellante gedaan. A verricht klusjes in de woning op het uitkeringsadres. Appellante en A dragen samen de zorg voor de dochter van appellante, verzorgen samen de hond en zorgen over en weer voor elkaar bij ziekte. Deze verklaring vindt bevestiging in de verklaring van A die in grote lijnen in gelijke zin heeft verklaard. Anders dan appellante heeft aangevoerd, hebben zij hiermee blijk gegeven van het dragen van zorg voor elkaar zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, van de PW.
4.9.
Uit 4.6 tot en met 4.6.4 en 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en Y.J. Klik en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2019.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) L.R. Daman
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ