ECLI:NL:CRVB:2019:2659
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet als alleenstaande ouder vanaf november 2016. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de Sociale Recherche Maastricht een onderzoek naar haar woonsituatie, waarbij werd vastgesteld dat zij samen met A een gezamenlijke huishouding voerde op het uitkeringsadres.
Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht herzag daarop de bijstand over de periode van 1 februari tot en met 12 mei 2017 naar de norm voor gehuwden en vorderde €3.328,80 terug wegens het niet melden van de gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij niet aan haar verklaring kon worden gehouden en dat A op haar eigen adres woonde. De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante en A voldoende feitelijke grondslag boden voor het standpunt van het college. Tevens was sprake van wederzijdse zorg, zoals het delen van bankpassen, samen koken, en gezamenlijke zorg voor een kind en huisdier.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.