ECLI:NL:CRVB:2019:2672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid en weigering medische afzakker
Appellant, werkzaam als betonafwerker, meldde zich in 2013 ziek met rug- en gehoorklachten en vroeg in 2015 een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 48,50%, later bij bezwaar vastgesteld op 35,40% vanwege aanpassing van het maatmaninkomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef de medische en arbeidsdeskundige beoordeling van het UWV. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn medische beperkingen groter waren en dat het maatmaninkomen onjuist was vastgesteld omdat hij in het refertejaar vanwege medische redenen minder werkte.
De Raad oordeelde dat de medische gegevens uit 2012 geen objectieve redenen voor werkvermindering toonden en dat appellant niet als medische afzakker kon worden beschouwd. Het UWV was terecht uitgegaan van het juiste maatmaninkomen en de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.