Uitspraak
19 2567 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
6 december 2017 met ingang van 1 januari 2018 een IVA-uitkering toegekend.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, werkzaam als keuringsarts, had haar arbeidsduur per 1 augustus 2014 teruggebracht van 24 naar 20 uur per week. Zij meldde zich ziek op 4 januari 2016 wegens MS. Het UWV kende haar een IVA-uitkering toe met ingang van 1 januari 2018, maar betrokkene maakte bezwaar omdat zij meende dat zij als medische afzakker moest worden aangemerkt, omdat zij om medische redenen eerder minder was gaan werken.
De rechtbank Amsterdam gaf betrokkene gelijk en oordeelde dat de maatgevende arbeid 24 uur per week bedroeg, omdat er sprake zou zijn van een medische afzakker. Het UWV ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en oordeelde dat er onvoldoende specifieke medische onderbouwing bestaat om betrokkene als medische afzakker aan te merken.
De Raad stelde vast dat de medische gegevens geen duidelijke verslechtering of toename van beperkingen in 2014 tonen die een urenvermindering medisch noodzakelijk maakten. Betrokkene had niet op advies van een arts of bedrijfsarts minder uren gewerkt. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarmee het UWV-besluit werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit bekrachtigd.