Appellante, geboren in 1935 en met lichamelijke en geheugenklachten, was geïndiceerd voor persoonlijke verzorging en een zorgzwaartepakket VV05. Na een eerdere afwijzing van een pgb-aanvraag in 2013, diende zij in 2014 opnieuw een aanvraag in. Het zorgkantoor weigerde het pgb voor de periode vóór 1 januari 2016, met verwijzing naar het ontbreken van declaraties en betalingen, waardoor een verantwoording niet mogelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, stellende dat het eerdere besluit tot weigering in rechte vaststond. Appellante ging in hoger beroep en betoogde dat het zorgkantoor tekortgeschoten was in zijn zorgplicht en dat het pgb met terugwerkende kracht moest worden toegekend.
De Raad oordeelde dat het zorgkantoor niet in redelijkheid tot volledige weigering kon komen, gelet op de verleende zorg en de feitelijke aanvraag. Beide partijen hadden bijgedragen aan het talmen, waardoor een belangenafweging leidde tot toekenning van 50% van het pgb-tarief over de periode van 9 oktober 2014 tot en met 31 december 2015, een totaalbedrag van € 28.894.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en stelde zelf het besluit vast. Tevens werd het zorgkantoor veroordeeld in de proceskosten van appellante.