Appellante had een verzoek ingediend voor een maatwerkvoorziening opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, dat door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op 23 februari 2016 werd afgewezen. Na bezwaar verklaarde het college het bezwaar gegrond en kende de maatwerkvoorziening toe, maar weigerde de door appellante geleden schade te vergoeden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond en wees het verzoek tot schadevergoeding af, stellende dat appellante gebruik had kunnen maken van de nachtopvang en daarmee haar schade had kunnen beperken. Appellante stelde dat zij na 1 april 2016 geen toegang had tot de nachtopvang omdat deze vol was en zij werd geweigerd wegens vermeende zelfredzaamheid.
De Raad oordeelde anders dan de rechtbank en stelde vast dat appellante niet redelijkerwijs kon worden verlangd haar schade te beperken door gebruik te maken van de nachtopvang. De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de kosten van ho(s)telovernachtingen van 1 april 2016 tot 11 mei 2016, een bedrag van € 1.194,81, en wees het verzoek voor het overige af. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.