ECLI:NL:CRVB:2019:283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ZW-uitkering na ontbinding arbeidsovereenkomst wegens dringende reden
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek op 1 augustus 2014. Na een ontslag per 1 februari 2015 vanwege een voorgenomen terugkeer naar Turkije, weigerde het UWV ziekengeld uit te betalen wegens onnodig beroep op de Ziektewet. Na bezwaar en aanvullend onderzoek bleek dat het dienstverband per 21 juli 2015 door de kantonrechter was ontbonden wegens een dringende reden, volledig aan appellante toe te rekenen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit van het UWV maar liet de rechtsgevolgen in stand, omdat de ontbinding gerechtvaardigd was door het niet nakomen van re-integratieverplichtingen en onbereikbaarheid van appellante. In hoger beroep voerde appellante aan dat de omstandigheden in Turkije haar handelen bepaalden en dat de maatregel onterecht was.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de maatregel van blijvende gehele weigering oplegde, omdat appellante onvoldoende aannemelijk maakte dat de ontbinding niet aan haar te wijten was. De Raad vond geen aanleiding om af te zien van de maatregel, aangezien geen onaanvaardbare gevolgen voor appellante waren vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de maatregel van blijvende gehele weigering van de Ziektewetuitkering wegens ontbinding arbeidsovereenkomst door dringende reden volledig aan appellante toe te rekenen.