ECLI:NL:CRVB:2019:2846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over verwijtbare werkloosheid en weigering WW-uitkering
Appellant was werkzaam als groepsleider kinderopvang en heeft zijn dienstverband op eigen verzoek beëindigd. Het UWV besloot de WW-uitkering niet uit te betalen wegens verwijtbare werkloosheid, omdat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van appellant kon worden gevergd en er geen medische noodzaak was voor ontslag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische gegevens onvoldoende steun boden voor het standpunt dat voortzetting van het dienstverband niet mogelijk was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat psychische klachten en een eerdere hersenschudding een medische noodzaak vormden, maar kon dit niet onderbouwen met nieuwe medische informatie.
De Raad concludeert dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant verwijtbaar werkloos is en geen recht heeft op WW-uitkering en toeslag.