AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beëindiging toeslag AOW na overlijden echtgenote en terugvordering te veel betaalde toeslag
Appellant ontving een AOW-pensioen met toeslag voor zijn eerste echtgenote, die in 2016 is overleden. Na haar overlijden beëindigde de Sociale verzekeringsbank (Svb) de toeslag met ingang van augustus 2016 en vorderde zij de te veel betaalde toeslag van augustus tot en met november 2016 terug.
Appellant stelde bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd ongegrond verklaard door de rechtbank en vervolgens bevestigd door de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat het recht op toeslag volgens artikel 8 AOWPro alleen geldt voor echtgenoten die vóór 1 januari 2015 gehuwd waren en jonger zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd. Het huwelijk met de tweede echtgenote, gesloten na 1 januari 2015, gaf geen recht op toeslag.
Verder is de Svb op grond van artikel 24 AOWPro verplicht tot terugvordering van onverschuldigd betaalde toeslagen, tenzij dringende redenen zich voordoen. Appellant gaf geen inzicht in zijn financiële situatie, zodat geen sprake was van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de toeslag en de terugvordering van het te veel betaalde bedrag zonder matiging.
Uitspraak
18.105 AOW
Datum uitspraak: 29 augustus 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
22 november 2017, 17/3168 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2019. Appellant is niet verschenen. Het Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellant is op [trouwdatum 1] 1967 gehuwd met [naam echtgenote 1] (echtgenote 1). Appellant ontving een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een toeslag ten behoeve van echtgenote 1. Op [trouwdatum 2] 2015 is appellant gehuwd met [naam echtgenote 2] (echtgenote 2). Echtgenote 1 is [in] 2016 overleden.
1.2.
Op 10 november 2016 heeft de Svb twee besluiten genomen. Bij het eerste besluit is de toeslag met ingang van [beïndigingsdatum] 2016 beëindigd in verband met het overlijden van echtgenote 1. Bij het tweede besluit is het over de periode van augustus 2016 tot en met november 2016 te veel betaalde ten bedrage van € 1.937,80 teruggevorderd.
1.3.
Bij het bestreden besluit van 2 mei 2017 is het bezwaar tegen de besluiten van
10 november 2016 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep het standpunt herhaald dat het aan hem toegekende AOW-pensioen niet toereikend is om in de behoeften van zijn gezin en in zijn eigen behoeften te voorzien.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is in geschil de beëindiging van de toeslag per augustus 2016 en de terugvordering van de te veel betaalde toeslag over de periode van augustus 2016 tot en met november 2016 van € 1.937,80.
4.2.
In artikel 8, eerste lid, van de AOW is, voor zover van belang, bepaald dat de pensioengerechtigde die voor 1 januari 2015 is gehuwd en voor die datum recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht heeft op een toeslag.
4.3.
Appellant had recht op toeslag voor echtgenote 1, met wie hij vóór 1 januari 2015 was gehuwd. In aanmerking genomen dat echtgenote 1 [in] 2016 is overleden, is niet langer voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, eerste lid, van de AOW. Het huwelijk met echtgenote 2 is gesloten ná 1 januari 2015, waardoor voor haar geen recht op toeslag bestaat. De Svb heeft dan ook terecht besloten om de aan appellant toegekende toeslag met ingang van augustus 2016 te beëindigen.
4.4.
Ten aanzien van de terugvordering van de te veel betaalde toeslag over augustus 2016 tot en met november 2016 van € 1.937,80 moet voorop worden gesteld dat de Svb op grond van artikel 24 vanPro de AOW gehouden is tot terugvordering van onverschuldigd betaalde toeslag. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb ingevolge het vierde lid van artikel 24 vanPro de AOW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Dringende redenen als hier bedoeld kunnen ingevolge vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de – financiële en/of sociale – gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Appellant heeft geen inzicht gegeven in zijn financiële situatie, zodat niet kan worden geconcludeerd dat hij als gevolg van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terechtkomt. Dit betekent dat geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien. 4.5. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2019.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) H. Achtot
ew
III. DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
statue:
confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par M. le maître M.M. van der Kade en présence de le maître
H. Achtot en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 29 août 2019.