Uitspraak
17.1420 WAJONG
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.536,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende op 1 december 2015 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, waarbij het UWV aanvankelijk oordeelde dat er geen duurzaam arbeidsvermogen ontbrak en de aanvraag afwees. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. In hoger beroep betoogde appellant dat hij al per 1 december 2015 jonggehandicapt was en recht had op uitkering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de aanvraag terecht beoordeeld moest worden op grond van de Wajong 2015 en niet de Wajong 2010. De Raad stelde vast dat appellant op 1 december 2015 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had en dat de complexe meervoudige problematiek die op 27 februari 2018 leidde tot toekenning van de uitkering, ook al op die datum bestond.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak voor zover de rechtsgevolgen in stand waren gelaten en bepaalde dat appellant vanaf 1 december 2015 recht heeft op een Wajong-uitkering. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Appellant heeft vanaf 1 december 2015 recht op een Wajong-uitkering wegens duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.