ECLI:NL:CRVB:2019:2894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens onjuiste opgave en gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand van 2004 tot 2015, laatstelijk als alleenstaande. Het college beëindigde de bijstand nadat bleek dat appellante grote bedragen op onbekende bankrekeningen had gestort en een gezamenlijke huishouding voerde met appellant, met wie zij in 2015 hertrouwde.
Een onderzoek door de sociale recherche bracht contante stortingen van onduidelijke herkomst aan het licht en twijfels over de woon- en leefsituatie. Het college herzag de bijstand en vorderde €116.582,65 terug wegens onrechtmatige bijstand, waarop appellanten bezwaar maakten en vervolgens in beroep gingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Raad dat de stortingen terecht als inkomsten werden aangemerkt, dat appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden ondanks verschillende inschrijvingen, en dat het ontbreken van een hoorzittingsverslag niet tot schending van belangen leidde. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering van €116.582,65 worden bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.