ECLI:NL:CRVB:2019:290
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten wegens ongeschikte nieuwe woning
Appellant, bekend met rug- en longklachten, verhuisde op 22 januari 2016 naar een nieuwe woning met een trap, ondanks medische beperkingen die traplopen bemoeilijken. Hij vroeg een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten aan bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, die deze aanvraag afwees.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende had ondernomen om gebreken in zijn oude woning te laten verhelpen en dat de nieuwe woning niet geschikt was gezien zijn medische situatie. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan en dat de nieuwe woning toch geschikter was.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij geen problemen ondervond met de trap in de nieuwe woning en dat het college terecht had geoordeeld dat appellant niet naar de meest geschikte woning was verhuisd zonder schriftelijke toestemming. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten is terecht afgewezen omdat appellant niet naar een voor zijn beperkingen geschikte woning is verhuisd en geen schriftelijke toestemming is verleend.