Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd door het college van burgemeester en wethouders van Purmerend een boete opgelegd wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding met X. Het college baseerde dit op een onderzoek met diverse waarnemingen, verklaringen en een huisbezoek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de boete ongegrond, ondanks dat de verklaring van appellante op 18 januari 2017 niet gebruikt mocht worden wegens het ontbreken van cautie.
In hoger beroep stelt appellante dat zonder deze verklaring de boete niet op een toereikende grondslag berust. De Raad oordeelt dat ook de verklaring van 2 maart 2017 niet als bewijs kan dienen omdat appellante toen nog niet op haar zwijgrecht was gewezen. Verder heeft het college onvoldoende aangetoond dat X hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, waardoor het bewijs voor een gezamenlijke huishouding ontbreekt.
De Raad vernietigt daarom de eerdere uitspraak en herroept het boetebesluit. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.