Betrokkene, werkzaam als maatschappelijk werkster, kreeg in 1994 een WAO-uitkering toegekend op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. In 1996 werd deze uitkering ingetrokken, omdat zij geschikt werd bevonden voor haar eigen werk. Na een verzoek in 2013 om een Wajong-uitkering en daaropvolgende afwijzingen, wees het Uwv in 2015 en 2016 besluiten af en toe om terug te komen op eerdere beslissingen.
De rechtbank vernietigde enkele besluiten van het Uwv, maar liet de rechtsgevolgen van een besluit uit 2016 grotendeels in stand. Zowel betrokkene als het Uwv gingen in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid vaststelde op 45-55% per 31 januari 1996 en 55-65% per 22 februari 2012, en dat de aanzegjurisprudentie niet van toepassing was op deze terugwerkende herziening.
De medische en arbeidskundige beoordelingen door het Uwv werden als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd beoordeeld, waarbij de Raad geen aanleiding zag een onafhankelijke deskundige in te schakelen. De Raad vernietigde eerdere uitspraken voor zover die het Uwv verplichtten nieuwe beslissingen te nemen en bepaalde zelf de aanspraken van betrokkene. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente, proceskosten en gemaakte reiskosten.