ECLI:NL:CRVB:2019:2950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens schending inlichtingenverplichting bij gezamenlijke huishouding
Appellante werd door het college van burgemeester en wethouders van Groningen een boete opgelegd van €1.170,- wegens het niet melden van het voeren van een gezamenlijke huishouding met X in de periode van 5 november 2015 tot en met 31 augustus 2016. De rechtbank had het beroep tegen deze boete ongegrond verklaard.
De kern van het geschil betrof de vraag of appellante en X hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres gedurende de genoemde periode. Volgens artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW is dit bepalend voor het begrip gezamenlijke huishouding. De Centrale Raad oordeelde dat het college mocht uitgaan van de door appellante ondertekende verklaring van 6 september 2016, waarin zij verklaarde vanaf de geboorte van haar dochter op het adres van X te wonen.
Hoewel appellante later schriftelijk bezwaar maakte tegen het verslag van het huisbezoek, heeft zij niet gesteld dat haar verklaring onjuist was weergegeven. De bevindingen van het huisbezoek, waarbij weinig persoonlijke goederen van appellante en haar dochter werden aangetroffen, ondersteunden de conclusie van het college. Er was dan ook geen aanleiding voor nader onderzoek.
De Raad concludeerde dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat de boete proportioneel is. Het hoger beroep werd verworpen, zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De boete van €1.170,- wegens het niet melden van gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.