Uitspraak
16.2351 AKW-S
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 256,-.
Centrale Raad van Beroep
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) over kinderbijslag. Na behandeling van bezwaar en beroep bij rechtbank en Raad, werd het beroep ongegrond verklaard. Appellant verzocht vervolgens om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
De Raad beoordeelde de duur van de procedure aan de hand van het EVRM en concludeerde dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase was overschreden met ongeveer drie maanden. De behandeling van het bezwaar door de Svb duurde ruim vier maanden, wat binnen de redelijke termijn viel.
De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €500 en tot vergoeding van de proceskosten van appellant ten bedrage van €256. Er waren geen omstandigheden die een langere behandeling rechtvaardigden.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten.