ECLI:NL:CRVB:2019:1590
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van verlaging kinderbijslag naar 80% vanwege woonlandbeginsel voor kinderen op Curaçao
Appellant woont in Nederland en zijn kinderen wonen op Curaçao. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft de kinderbijslag verhoogd naar 80% van het maximale bedrag, gebaseerd op het woonlandbeginsel en het kostenniveau op Curaçao.
Appellant betwistte deze verlaging met een beroep op het Convenant met de Antillen en het Convenant met Curaçao, stellende dat deze verdragen een hogere kinderbijslag rechtvaardigen en dat het woonlandbeginsel niet toegepast mag worden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat het Convenant met de Antillen en het Convenant met Curaçao geen verdragen zijn in de zin van artikel 91 e.v. van de Grondwet, zodat artikel 94 Grondwet Pro niet van toepassing is. De berekening van de woonlandfactor op 80% is conform de wettelijke regeling en niet in strijd met het eigendomsrecht of het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De Raad laat de precieze betekenis van artikel 4 van Pro het Convenant met de Antillen in het midden, maar stelt vast dat de verlaging van de kinderbijslag rechtmatig is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De kinderbijslag voor kinderen op Curaçao blijft vastgesteld op 80% van het maximale bedrag volgens het woonlandbeginsel.