Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- bepaalt dat van de minister een griffierecht van € 508,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving studiefinanciering berekend naar de norm voor een thuiswonende studerende, maar had in werkelijkheid van januari tot en met juli 2017 in Londen verbleven voor een stage die onderdeel was van haar Nederlandse opleiding. De minister wijzigde de studiefinanciering naar de thuiswonende norm en vorderde een bedrag terug omdat betrokkene volgens de basisregistratie personen (brp) op hetzelfde adres als haar ouders stond ingeschreven en daardoor niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden voor een uitwonendenbeurs.
Betrokkene maakte bezwaar en leverde bewijs van haar verblijf in het buitenland en een tijdige aanvraag voor een uitwonendenbeurs. De rechtbank oordeelde dat de minister het buitenwettelijke beleid onredelijk had toegepast door een formele termijn te stellen voor de aanvraag en vernietigde het besluit.
De minister ging in hoger beroep, stellende dat de informatievoorziening voldoende was en dat betrokkene niet de juiste aanvraag had ingediend. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het beleid inhoudelijk niet onredelijk is, maar dat de formele voorwaarde van een tijdige aanvraag niet door de rechterlijke toetsing kan worden gedragen. De feitelijke situatie en het bewijs daarvan zijn bepalend voor het recht op een uitwonendenbeurs.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en stelde dat de minister niet bevoegd was tot herziening en terugvordering over de betreffende periode. De toekenning van de uitwonendenbeurs was rechtmatig omdat betrokkene tijdig had aangevraagd en bewijs had geleverd van haar verblijf in het buitenland voor studie.
Uitkomst: Betrokkene heeft recht op een uitwonendenbeurs over de periode van verblijf in het buitenland voor studie en de herziening en terugvordering door de minister worden afgewezen.